Artikel in Korenmaat
Tim van der Weide werd
geboren op 15 september 1945 in Witmarsum
(tussen de ‘Kop van de Afsluitdijk’ en het
stadje Bolsward). Hij bezocht na de lagere school
de ULO in Bolsward en ging daarna naar de
Kweekschool in Sneek. Tim vertelt over zijn leven
met muziek.
Opa speelde uit Worp
Mijn moeder en grootvader aan moeders kant konden
beiden orgelspelen. Opa speelde uit ‘Worp’ en mijn
moeder uit ‘Drenth“. De kenners zegt dit
genoeg: Worp is veel moeilijker. Ik heb mijn opa
echter nooit horen spelen. Dat kwam, omdat mijn
moeder - toen ze 14 jaar was - erg ziek werd.
Een specialist uit Leeuwarden heeft zich, nadat ze
eigenlijk al was opgegeven, over haar ontfermd. In
die tijd echter was men niet tegen dit soort dingen
verzekerd. Mijn opa, die een eigen winkel had,
moest alles zelf betalen. Uiteindelijk ging hij
failliet. Ik heb hem nooit ‘uit Worp’ horen
spelen, want hij raakte toen ook zijn harmonium kwijt.
Buurman met dochters
Dus geen orgel bij ons in huis. Wel bijv. een
mondharmonica. Ik kreeg er ook een, toen ik vier
was en ging soms de deuren langs om centjes op te
halen. Ik had een buurman, die alleen dochters had en hij
beschouwde mij als zijn zoon. Hij zat op het
plaatselijke muziekkorps ‘Oranje’ en als de fanfare door
het dorp ging, mocht ik naast hem lopen en zijn muziek
vasthouden. Uiteraard werd ik lid van ‘Oranje’ - het
christelijke muziekkorps - en ik kreeg (zoals gewoonlijk)
een bugel om te beginnen. Later kreeg ik een cornet
en nog later speelde ik trompet. De dirigent, Johan van
Strien, vond dat ik het aardig deed en daarom een beter
instrument moest hebben. Op een avond kwamen twee
leden van het bestuur van ‘Oranje’ bij mijn vader. Ze vroegen
hem, of hij voor zijn zoon een nieuwe trompet wou kopen.
Een trompet bij Van der Glas in Heerenveen kostte toen
1100 gulden. De muziekvereniging zou het bedrag in
10 jaar terugbetalen.
Dit speelde in 1958 en een ieder begrijpt, dat ik toen heel
veel heb geoefend om een goede trompettist te worden.
Johan Willem Frisokapel en The Beatles
In september 1966 ging ik in militaire dienst.
Inmiddels was ik een fan van de nieuwe Engelse
popmuziek, met name van The Beatles. Ik nam van de
leraar Frans op de ULO voor 25 gulden zijn gitaar over. Dit
soort muziek kwam in mijn leven naast de blaasmuziek.
Na de basisopleiding bij de Infanterie mocht ik
voorspelen voor het tamboer- en trompetterkorps van de
‘Johan Willem Frisokapel’ te Assen. Het was niet moeilijk
om erbij te komen, want er moest een compleet nieuw
korps uit onze lichting gehaald worden (20 soldaten).
We hadden een prachtig leven: anderhalf jaar reizen en
trekken: taptoe Delft, taptoe Bremen en talloze beëdigingen
van of. cieren. Als we niet op stap waren, moesten
we ‘studeren’ op nieuw repertoire en klusjes opknappen
voor de leden van de echte ‘Johan Willem Frisokapel’.
Wat ik in de wereld van de blaasmuziek altijd als
nadeel heb ervaren was, dat je thuis altijd alleen
moest oefenen. Je hoorde dan alleen jezelf; ik miste de
meerstemmigheid, de akkoorden. Dat was op de
repetities natuurlijk wel voor elkaar. De buurman,
inderdaad, die met alleen dochters, had een
harmonium. Daar mocht ik wel eens op spelen.
Johannes de Heer en contrapunt
Vanaf toen leerde ik mij aan uit het hoofd psalmen
en liederen te spelen. Ik haalde uit het lied ‘Jezus,
die mijn ziel bemint’ ( Johannes de Heer) drie of vier
akkoorden, onthield die en paste ze toe in anderen
liederen. Ik speelde dan enkele maanden uit het hoofd
alleen maar liederen met één mol (F-majeur) om
goed thuis te raken in die akkoorden en grepen. Na
verloop van tijd speelde ik alles in G, enz. Ik ging op
orgelles, toen ik 18 jaar was. Na mijn diensttijd ging
het door. Ik kreeg les van Jan Blanksma te Witmarsum,
Frans Tersteeg uit Bolsward, Arnold Feddema in
Damwoude en Rein Ferwerda (toen in Augustinusga).
Uiteindelijk wilde ik me ook meer theoretisch in de
muziek verdiepen. Ik nam bij conservatoriumleraar
Bauke Zijlstra les in solfège, contrapunt en
harmonieleer. Harmonieleer vond ik het mooist.
Uiteindelijk werd ik toegelaten op de MPA (Muziek
Pedagogische Academie) te Leeuwarden (1975) en Piet
Post werd mijn leraar voor het hoofdvak orgel. Ook kreeg
ik les van Jan Jongepier en Anco Ezinga voor orgelbouw
en de didactische vakken.
Het gekke was, dat ik in de orgelklas de enige was, die
bijv. lol had in de contrapunt-oefeningen en de
harmonieleeropgaven. De rest van de leerlingen vond
dit soort bezigheden ballast bij hun studie.
Muziekgeschiedenis en gregoriaans kreeg ik van Bernard
Smilde (bekend van het Liedboek van de Kerken). Ook
deze theoretische vakken hebben mij mede gevormd in
muzikale zin.
Componeren
In 1977 was ik organist geworden van de Herv. Kerk in
Holwerd. Het kerkkoor raakte in 1980 zonder dirigent
en mij werd gevraagd deze taak op me te nemen. Dit
was “mijn” eerste gemengde koor. Ik ben inmiddels
dirigent van meerdere koren geweest. In 1986 haalde
ik het SNK-diploma koordirigent aan de Streekmuziekschool
‘De Waldsang’ te Buitenpost. Ik studeerde daar
bij Jitze Nicolai. Op dit moment ben ik dirigent van drie
koren: Chr. Gem. Zangver. ‘Cantate Deo’ te Dokkum,
Chr. Geref. Zangver. ‘De Lofstem’, ook in Dokkum en Het
Seniorenkoor in Damwoude, mijn woonplaats.
Omstreeks 1990 begon ik weer eens aan componeren /
arrangeren te denken. Mijn eerste compositie was een
bewerking op de melodie van het duet uit de “Parelvissers”
van Bizet, met een geestelijke tekst en de titel
‘Herschepping’. Maar wat ik vooral heel leuk werk vond,
was het maken van kerstsuites en kerstcantates. Die
vielen best in de smaak bij koorleden, maar ook bij de
toehoorders op concerten.
Van verschillende kanten werd mij aangeraden met een
cantate naar een uitgever te gaan. Uiteindelijk zijn er
zo’n 15 composities bij Harmonia (sinds 2004 via ‘de
Haske’ in Heerenveen) uitgegeven, waaronder zes
kerstcantates. Maar eigenlijk passen mijn koorwerken
beter bij uitgeverij PromusicPublishing: ze zijn
eenvoudig, maar welluidend, hebben vaak herkenbare
melodieën en zijn harmonisch in een aansprekend
klankidioom verpakt. De gebruikte teksten vragen
volgens mij om een dergelijke muzikale ondersteuning.
Na wat verkennende gesprekken werden in de herfst
van 2008 de eerste koorwerken daar uitgegeven.
De bedoeling is, dat er meerdere zullen volgen.
VUT
Nu ik in de vut zit, heb ik meer tijd om koorcomposities
te maken. Ik heb een aantal grotere stukken geschreven:
zeven kerstliederen op gedichten van Nel Benschop, de
kerstcantate ‘Hoort gij de eng’len zingen?’, de
Psalmhymne met antifoon; dan de paassuite ‘Ik zeg het
allen dat Hij leeft’ en tenslotte de Boom- en
bloemensuite. Verder nog een aantal kleinere
composities, voornamelijk liedbewerkingen. Dan nog zes
stukken voor mannenkoor en eveneens zes koorwerkjes
voor driestemmig vrouwenkoor.
Nu ik sinds kort een eigen website heb, ben ik ook
begonnen alle aspecten van het koor zijn daarop aan de
orde te laten komen. Ik probeer mijn nieuwe werken te
beschrijven vanuit de achtergrond van de componist en
geef ook achtergrondinformatie m.b.t. de tekst en de
muziek. Verder behandel ik onderwerpen die te maken
hebben met de koorpraktijk. Uiteraard beschrijf ik ook
het wel en wee van mijn eigen koren.
Intrigerende vragen
Tot slot: hoe ga je te werk bij het componeren? Over
het algemeen is de tekst er eerst. Daarna komt er een
melodie en dan de harmonie. Bij een groter stuk is er
natuurlijk de logistiek. Bijv.: Welke onderdelen komen in
een kerstcantate, in welke volgorde en per onderdeel:
hoe bewerkt. Ik let dan op een logische afwisseling van
de verschillende onderdelen. Verder probeer ik altijd in
het zicht te houden voor welke koren je schrijft. Je moet
oppassen, dat je niet je eigen stokpaardjes gaat berijden.
En als je na twee weken een stuk nog even mooi
vindt als in het begin, is het goed. Gooi het anders weg.
Er zijn voor mij intrigerende vragen waar ik een antwoord
op probeer te vinden. Dit kan misschien leiden tot
boeiender composities. Learning all the time! Waarom
springen melodieën er soms uit, waardoor een
muziekstuk een topper wordt. Denk aan bijv. King all
glorious, Ode of Ambrosiaanse Lofzang. Of: waarom wordt
het ene lied een evergreen en wordt een ander snel vergeten?
Je hierin verdiepend - kijkend, denkend, analyserend
en zelf proberend - kun je soms de sluier iets oplichten.
Je leert een pakkende melodie herkennen en schrijven.
Je raakt op dit onderwerp nooit uitgestudeerd. Waarom
zijn de melodieën uit de Duitse Messe van Schubert zo
mooi? Wat hebben ze, wat andere simpele melodietjes
missen? Ik wil hier nog eens “een theorie” over schrijven
en het dan in een breder kader plaatsen: Hoe schrijf je
een goede melodie en wat komt daar allemaal bij kijken!
De website van Tim van der Weide:
www.timvanderweidekoor.nl
Korenmaatcomponist


Stuk in korenmaat